SYN1 Gebiedsaard

Uit DGBC Wiki

Ga naar: navigatie, zoeken


SYN1 Gebiedsaard

Categorie: Synergie Maximum aantal punten: 7 Verplicht? Ja

Doel van de credit

Het inventariseren, analyseren en documenteren van de eigenschappen en kenmerken van het gebied en zijn context.

Toepassing

Planfase Realisatiefase Beheerfase

Creditcriteria

Er kunnen maximaal 7 punten als volgt toegekend worden

Punten Criterium
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat er een inventarisatie van het gebied is gemaakt, die inzicht geeft in de 'eigenheid' van het gebied en de relatie van het gebied tot zijn omgeving, en die publiekelijk beschikbaar is voor toekomstig gebruik.
Waar op basis van de inventarisatie een analyse is gemaakt van de sterkten en zwakten, en de kansen en bedreigingen (SWOT) die de intrinsieke kwaliteiten en knelpunten van het gebied en zijn context beschrijven.
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat de keuze voor de gebiedsontwikkeling in deze vorm op deze plaats afdoende is gemotiveerd en alternatieven zijn beschouwd.

Criteria-eisen

Het volgende toont aan dat wordt voldaan:

Eerste drie punten

  1. In de inventarisatie zijn de onderstaande items opgenomen. Indien items uit deze lijst niet van toepassing worden geacht, dient dit onderbouwd te worden. Per item is indicatief aangegeven of het de plan- dan wel de systeemgrens betreft. Dit is een richtlijn waar van afgeweken mag worden.
  2. Het resultaat van de inventarisatie is ter beschikking gesteld aan de Gemeente(n) en vrijgegeven voor publieke raadpleging. Indien delen uit de inventarisatie als vertrouwelijk wordt beschouwd, dient dit te zijn aangegeven en onderbouwd.

Gebiedskarakter algemeen

a. Korte beschrijving van de ontstaansgeschiedenis inclusief historisch ruimtegebruik. (plangrens)

b. Een beschrijving van de aard of het ‘karakter’ van het gebied op basis van alle items die voor dit punt geïnventariseerd / beschreven / omschreven worden. (plangrens)

Ruimtelijke structuur en programma

c. Korte beschrijving van de bestaande landschappelijke- en stedenbouwkundige structuren, de openbare ruimten en aanwezige bebouwing. (plangrens en systeemgrens waar relevant)

d. Korte beschrijving en karakterisering hoe het gebied aansluit op zijn omgeving voor wat betreft transport en vervoer. (plangrens en systeemgrens waar relevant)

e. Huidige programma en ruimtegebruik w.o. winkels, maatschappelijke en culturele voorzieningen, dienstverlening, industrie, wonen e.d. (plangrens)

f. Inventarisatie van bestaande OV-voorzieningen en verkeersinfrastructuren w.o. routes voor autoverkeer, expeditieverkeer, fietsers-, voetgangers- en waterroutes, inclusief eventuele knelpunten en voorzieningen behorende bij deze verkeerssystemen (o.a. parkeervoorzieningen, OV-punten, stallingsruimte voor fietsen). (plangrens)

g. Korte beschrijving van het aanwezige cultureel erfgoed voor zover bekend; beschrijving materiële en immateriële cultuurhistorische waardes hiervan. (plangrens)

Natuur en Bronnen

h. Inventarisatie van de wettelijke- en beleidskaders m.b.t. het plangebied w.o. vogel- en habitatrichtlijn Natura 2000, flora- en fauna wet, natuurwetgeving, ecologische hoofdstructuur. (plangrens)

i. Korte beschrijving van de eigenschappen van de plaatselijke groene en blauwe structuren (parken, meren, rivieren, bossen, groenvoorzieningen, corridors etc). (plangrens)

j. Korte beschrijving van de aanwezige flora en fauna. (plangrens)

k. Korte beschrijving van het aardoppervlak inclusief de overheersende kenmerken van de eerste 3 meter ondergrond (gebruik de van toepassing zijnde termen als vlak, heuvelachtig, glooiend, kalkrijk, zandrijk, bosrijk, overwegend klei, harde / zachte ondergrond e.d.) (plangrens)

l. Inventarisatie van de aanwezige gebruikte en potentiële bronnen van energie, water en (bouw)materialen (grondstof en/of productie), inclusief afvalstromen. (plangrens) . Inventariseer de hernieuwbare energiebronnen volgens de eisen onder 5. Aanvulling op de criteria-eisen.

Milieu en Welzijn

m. Overheersende luchtkwaliteit, uitgedrukt in NOx, PM10 en PM 2,5 ,op basis van GCN kaarten (Grootschalige concentratiekaarten Nederland). (plangebied)

n. Overheersende bodemkwaliteit. (plangebied)

o. Overheersende geluidsituatie (verkeers- en bedrijfsgeluid, omgevingsgeluiden, bijvoorbeeld een nabijgelegen vliegveld). (plangebied)

p. Potentiële c.q. geconstateerde stralingsrisico's (plangebied)

q. Korte beschrijving van aspecten met betrekking tot externe veiligheid, bijvoorbeeld transportroutes gevaarlijke stoffen in of nabij het plangebied en risicovolle inrichtingen. (plangebied)

Sociaal maatschappelijk

r. Inventarisatie sociaal maatschappelijke beleidskaders (o.a. beleid op sociale dienstverlening, werkgelegenheid, woningdifferentiatie). (plangebied)

s. Duiding van de bevolkingsopbouw (aantal inwoners, prognose bevolkingsgroei/krimp, leeftijdsopbouw, gezinssamenstelling, verhuisbewegingen, opleidingsniveau, etniciteit). (plangebied)

t. Duiding van de door de bewoners en gebruiker ervaren sociale veiligheid, eventueel op basis van de voor het plangebied relevante thema’s uit de Integrale Veiligheids Monitor (IVM). (plangebied)

Financiële kaders

u. Gemiddeld besteedbaar inkomen per gezin (plangebied).

v. Duiding van de economische bedrijvigheid. (plangebied)

w. Duiding van de financiële situatie van de gemeente(n) waarbinnen het plangebied valt, met een prognose van 5 jaar, in relatie tot beheer en onderhoud van het plangebied in de Realisatiefase’

Vierde tot en met zesde punt

  1. De eerste drie punten behaald zijn.
  2. De analyse is uitgevoerd op basis van de inventarisatie.
  3. De analyse is in coproductie met relevante belanghebbenden opgesteld (niveau 4 van de participatieladder; zie Participatie in de categorie Management). Overweeg bij ‘relevante belanghebbenden’ ten minste de volgende partijen:
    • Partijen die investeren in het project,
    • Partijen die directe en indirecte effecten van de gebiedsontwikkeling ondervinden,
    • Partijen die geraakt worden door de effecten (positief of negatief).
  4. Er is een onderbouwing voor de relevantie van de betrokken belanghebbenden.
  5. De analyse betreft de maatschappelijke en commerciële waarden die in het gebied spelen; specifiek richt de analyse zich op de duurzaamheidswaarden.
  6. De analyse omvat een verkenning van de belanghebbenden bij de gebiedsontwikkeling, waaronder ten minste (voor zover van toepassing):
    • Investeerders in vastgoed, openbare ruimten en infrastructuur,
    • Huidige en toekomstige ruimtegebruikers (bewoners, ondernemingen, bezoekers)
    • Grondeigenaren.
  7. In de analyse worden de relaties tussen investeringen, maatregelen en effecten meegenomen
  8. De analyse benoemt de sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen (SWOT) van het bestaande gebied en zijn bredere context.
  9. De analyse omvat ten minste één onderbouwde alternatieve ontwikkelingsrichting.
  10. De analyse omvat tevens een antwoord op de vraag wat de verwachte consequenties voor het plangebied zijn indien de ontwikkeling niet zou plaatsvinden (referentiealternatief).
    EN
  11. Indien sprake is van een optimalisering van eerdere planvorming dient aangetoond te worden dat oudere kaders en ontwikkelvisies ter discussie zijn gesteld.

Zevende punt

  1. Er heeft op gemeentelijke / provinciale, regionale of landelijke schaal een afweging plaatsgevonden op basis waarvan de voorgestelde ontwikkeling in het onderhavige plangebied tot stand is gekomen.
  2. In deze afweging zijn duurzaamheidsaspecten meegenomen.

Aanvullingen op de criteria-eisen

Beschouw bij de thematische inventarisatie de informatie uit de overige credits als referentie. Bijvoorbeeld Bodemkwaliteit: refereer naar de credit Bodemkwaliteit uit de categorie Gebiedsklimaat.

In de inventarisatie is het niet noodzakelijk een volledig, diepgaand onderzoek uit te voeren op de afzonderlijke thema’s. Het gaat om het overheersende, dominante beeld. Bij Bodemkwaliteit hoeft dus niet een onderzoek uitgevoerd te worden zoals in de credit Bodemkwaliteit gevraagd wordt. Wel is van belang vast te stellen of er over het hele gebied genomen aandachtspunten zijn zoals actuele, potentiële of dreigende vervuilingen of bijzondere kwaliteiten (unieke grondsoorten, bijzonder bodemleven, bijzondere bodemstructuren e.d.).

Indien er sprake is van een revitalisatie van eerdere, verouderde planvorming en er in het verleden reeds een inventarisatie is gemaakt dan mag de oude inventarisatie gebruikt worden, mits geactualiseerd waar nodig c.q. onderbouwd indien niet geactualiseerd.

Systeemgrenzen bij hernieuwbare energie
Bij de bepaling van de systeemgrenzen bij toepassing van hernieuwbare energie wordt aangesloten bij de aanpak van NEN 7125: Daarbij is duurzame elektriciteit mogelijk te koppelen als de voorziening binnen straal van 10 kilometer wordt gerealiseerd EN er sprake is van een samenhangende en gelijktijdige ontwikkeling. Met uitzondering van zonne-energie, waarvoor de gebiedsgrens gelijk is aan de systeemgrens, mag voor de realisatie van hernieuwbare energievoorzieningen bovenstaande systeemgrens gehanteerd worden.

Eisen voor inventarisatie van hernieuwbare energiebronnen:
Geef per hernieuwbare energiebron aan, volgens onderstaande eisen, of het praktisch mogelijk is om energie op te wekken binnen de systeemgrenzen van het gebied. Dit alles rekening houdend met actuele regelgeving, de beschikbare ruimte en de techniek. Zowel bestaande als nieuwe voorzieningen van duurzame energieopwekking in het gebied worden in kaart gebracht.

Geothermie:

1. Met behulp van ThermoGIS software (vrij verkrijgbaar) is in kaart gebracht of de ondergrond geschikt is voor toepassing van geothermie. Dit houdt hier in het oppompen van warm water van tenminste 45 graden Celsius
2. Er is nagegaan of er een opsporingsvergunning is verleend.

Biomassa:

1. Potentiele biomassabronnen van minimaal 500 kW in een straal van 50 km rond het gebied zijn in kaart gebracht. Hierbij kan gedacht worden aan houtachtige biomassa of mest in gebieden met een mestoverschot. Huishoudelijk groenafval hoeft niet te worden meegenomen.
2. Er is nagegaan of gemeentelijk, provinciaal en nationaal beleid toepassing van een biomassaverwerkingsinstallatie met een elektrisch of thermisch vermogen van minimaal 500 kW in het gebied in principe mogelijk maakt.
3. Indien 1 en 2 het geval zijn: Het temperatuurniveau en de energievraag voor het gebied is in kaart gebracht, waar mogelijk conform NVN 7125 en NEN7120

Water:

1. Er is geïnventariseerd of er natuurlijk stromend water in het gebied is, waaruit duurzame elektriciteit gewonnen kan worden.
2. Indien dit het geval is, is onderzocht hoeveel energie potentieel gewonnen kan worden.
3. Indien dit het geval is, is onderzocht of binnen de vigerende regelgeving winning van deze energie mogelijk is.

Wind:
Voor windenergie hoeft alleen de mogelijkheid van plaatsing van grote windturbines (> 1,5 MW) onderzocht te worden:

1. Er is geïnventariseerd of er binnen het plangebied op een afstand van 500 m (wetgeving) van woongebieden een windturbine geplaatst kan worden. Indien er voldoende ruimte is voor meerdere windturbines, staan deze minimaal 350 m uit elkaar.
2. Er is, in het geval van een bedrijventerrein, geïnventariseerd of er een onbebouwd terrein is met een diameter van minimaal 80 meter waar een windturbine geplaatst kan worden. Indien er voldoende ruimte is voor meerdere windturbines, staan deze minimaal 350 m uit elkaar.
3. Indien 1 en 2 het geval zijn, is onderzocht of gemeentelijk, provinciaal en nationaal beleid toepassing van windturbines in principe mogelijk maken.
4. Indien dit het geval is, is nagegaan of binnen een afstand van 100 m van de beoogde locatie voor windturbines geen hogedruk gasleiding bevindt.

Zon:

1. Het huidige en toe te voegen hoeveelheid dakoppervlak binnen het gebied is in kaart gebracht. Daarbij behoeven dakoppervlakken in monumentale en beschermde stads/dorpsgezichten niet te worden meegeteld.
2. Het totaal van alle horizontale dakoppervlakken (m2) is bepaald. Het praktisch horizontale potentieel (m2) is 50% van dit totaal.
3. Het totaal van alle schuine dakoppervlakken (m2) is bepaald. Het praktisch schuine potentieel (m2) zijn die dakoppervlakken met een hellingshoek tussen 20 en 50 graden EN met een oriëntatie tussen Zuidoost en Zuidwest.
4. Bepaal de verhouding tussen het praktisch schuine potentieel en het totaal van alle schuine dakvlakken in %. Bepaal het totale praktisch potentieel voor zonne-energie als de som van 2 en 3 in m2.

Warmte/koude opslag en inzet van bodemwarmte voor warmtepompen:

1. Met behulp van de WKO-tool van de Rijksoverheid (zie wko-tool bij Referenties) is in kaart gebracht of de bodem geschikt is en of het beleid ten aanzien van grondwaterkwaliteit geen beperkingen oplegt.
2. Er is geïnventariseerd of er reeds vergunningen zijn verleend en of er een masterplan (in ontwikkeling) is voor het gebruik van bodemwarmte/koude

Benodigd Bewijsmateriaal

Planfase

Punten 1 tot en met 3:

Eis 1

  • Een kopie van de volledig uitgevoerde inventarisatie, ondertekend door de gebiedsontwikkelende partij(en), met vermelding van periode van uitvoering en datum van afronding.

Eis 2

  • Een verklaring van de gemeente waaruit blijkt dat de inventarisatie aan de gemeente beschikbaar is gesteld en open staat voor publieke raadpleging.

Punten 4 tot en met 6:

Alle eisen

  • Een kopie van de analyse, ondertekend door de gebiedsontwikkelende partijen én door de overige bij de inventarisatie betrokken partijen, hun rol bij de inventarisatie en hun betrokkenheid bij de gebiedsontwikkeling. Indien de gemeente niet deel uit maakt van de gebiedsontwikkelende partijen is gemeentelijke instemming noodzakelijk.
  • Verslagen van workshops of andere bijeenkomsten met de betrokkenen waaruit hun inbreng tijdens het proces blijkt.
  • Een verklaring in de definitieve analyse, ondertekend door ten minste 1 van de relevante belanghebbenden, waaruit blijkt dat er naar behoren met de input van de belanghebbenden is omgegaan.

Zevende punt

Eis 1 en 2

Een kopie van een recent regionaal of stedelijke structuurvisie, van een MKBA of ander gemeentelijk, provinciaal of rijksoverheidsdocument waaruit blijkt waarom, de onderhavige gebiedsontwikkeling gekozen is en de duurzaamheidsaspecten zijn meegenomen.

Realisatiefase

Punten 1 tot en met 3

Eis 1 en 2

Documenten waaruit blijkt dat de inhoud en uitgangspunten van de inventarisatie gedurende de realisatiefase blijvend worden geactualiseerd met een frequentie van ten minste 1 x per 2 jaar. Dit kan m.b.v. verslagen van projectgroep(en) of participatiebijeenkomsten waaruit blijkt welke wijzigingen er zijn t.o.v. de planfase en hoe dit is verwerkt in de inventarisatie.

Punten 4 tot en met 6

Alle eisen

Documenten waaruit blijkt dat de inhoud en uitgangspunten van de analyse gedurende de realisatiefase blijvend worden geactualiseerd met een frequentie van ten minste 1 x per 2 jaar. Dit kan m.b.v. verslagen van projectgroep(en) of participatiebijeenkomsten waaruit blijkt welke wijzigingen er zijn t.o.v. de planfase en hoe dit is verwerkt in de analyse.

Zevende punt

Alle eisen

Gelijk aan de planfase.

Beheerfase

Punten 1 tot en met 3

Eis 1 en 2

Documenten waaruit blijkt dat de inhoud en uitgangspunten van de inventarisatie gedurende de beheerfase blijvend worden geactualiseerd met een frequentie van ten minste 1 x per 2 jaar. Dit kan m.b.v. verslagen van projectgroep(en) of participatiebijeenkomsten waaruit blijkt welke wijzigingen er zijn t.o.v. de realisatiefase en hoe dit is verwerkt in de inventarisatie.

Punten 4 tot en met 6

Alle eisen

Documenten waaruit blijkt dat de inhoud en uitgangspunten van de analyse gedurende de beheerfase blijvend worden geactualiseerd met een frequentie van ten minste 1 x per 2 jaar. Dit kan m.b.v. verslagen van projectgroep(en) of participatiebijeenkomsten waaruit blijkt welke wijzigingen er zijn t.o.v. de realisatiefase en hoe dit is verwerkt in de analyse.

Zevende punt

Alle eisen

Gelijk aan de planfase.

Definities

Belanghebbenden
Zie de categorie Management
Systeemgrens
De systeemgrens is voor deze credit niet hard gedefinieerd omdat deze variabel is. Het gaat telkens om de aansluiting van het gebied op de omgeving. Voorbeelden:
  • Een OV-knooppunt dat net buiten het plangebied ligt, maar relevant is voor het aspect mobiliteit dient te worden benoemd.
  • Indien het plangebied in de geluidscontouren van een vliegveld ligt, is het vliegveld relevant voor het aspect ‘geluid’.
  • De beleving van de sociale veiligheid van een buurt zal mede- bepaald worden door die in de wijk / het dorp / de stad.

Aanvullende informatie

In de landschapsarchitectuur en de stedenbouw wordt voor het duiden van de specifieke gebiedskenmerken of gebiedsaard vaak de term 'Genius Loci' gebruikt. In de oudheid werd met “Genius Loci” de beschermende geest van een gebied bedoeld. Tegenwoordig gebruikt men het begrip vaak in overdrachtelijke zin om de “eigenheid” en sfeer van een locatie te benoemen. Het gaat om het duiden van de specifieke gebiedskenmerken, waarbij de bijzonderheid wordt geduid in sociale, fysieke en financiële kenmerken.

Het uiteindelijke doel van de credit is het stimuleren dat bij ontwikkelingen wordt uitgegaan van de aangetroffen ‘eigenheid’ van het betreffende gebied. Dit met respect voor bewoners en gebruikers, de ecologie alsmede de gebouwde omgeving en economie (People-Planet-Profit). Hiervoor is het zorgvuldig inventariseren en analyseren van de 'eigenschappen' en 'kenmerken' van het gebied en haar context, voorafgaand aan de (her)ontwikkeling van de locatie een voorwaarde. De inventarisatie en analyse vormen een belangrijke basis voor het toekomstige Programma van Eisen, zodat op een optimale manier gebruik wordt gemaakt van de potenties van de plek en de omgeving, en knelpunten worden aangepakt. De gebiedsaard is tevens agendastellend voor de gebiedsvisie.

Dit ‘beeld’, de ‘aard’ wordt opgebouwd uit een opsomming van gegevens, feiten, constateringen (de inventarisatie), gevolgd door een analyse. Feiten zijn bijvoorbeeld ‘er zijn 3 hogescholen en 2 universiteiten in de stad’; ‘er zijn 20.000 studenten’; ‘er is huisvesting voor 10.000 studenten’. Een analyse is ‘huisvesting van studenten is een knelpunt’ en ‘de voorliggende gebiedsontwikkeling kan maatregelen x en y nemen om het knelpunt van de studentenhuisvesting op te lossen’.

Tevens kan de analyse oplossingsrichtingen opleveren, bijvoorbeeld:

Toelichting op het laatste te behalen punt

Dit keurmerk gaat in beginsel niet over de keus van de locatie of de inhoud van de opgave van een specifieke gebiedsontwikkeling. Daar hebben afwegingsprocessen voor plaatsgevonden vóórdat dit keurmerk relevant werd, op een andere schaal en door andere partijen. Dit keurmerk houdt zich alleen bezig met het zo duurzaam mogelijk doen ontwikkelen als de opgave er eenmaal ligt. Het kan echter van belang zijn voor de mate van participatie en voor nog te maken keuzes dat de ontwikkelaar(s) de onderbouwing van de ontwikkeling inzichtelijk en paraat hebben.

Referenties

Koppeling met andere credits in dit Keurmerk

De credit heeft een koppeling met veel andere credits uit de categorieën Ruimtelijke ontwikkeling, Welzijn & Welvaart, Bronnen, Gebiedsklimaat en Management.

Koppeling met andere keurmerken

Koppeling met BREEAM-NL Nieuwbouw:
Koppeling met BREEAM Bestaande bouw:

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Direct naar
Creditsjablonen
Hulpmiddelen
Overig
Boek maken